
Sinds 1992 onderhandelt de ANVR namens werkgevers in de reissector de cao reisbranche met de vakbonden. Vier jaar later kwam daar ook nog eens een eigen pensioenregeling bij in het toenmalige pensioenfonds Global (later Reiswerk Pensioenen), en weer twee jaar later verstevigden de sociale partners in de sector hun samenwerking met de oprichting van het Fonds voor Opleiding en Ontwikkeling in de Reisbranche (FOOR), dat later zijn naam omvormde naar Reiswerk. In de beginjaren bestond ook het FKR, het Fonds voor de Kinderopvang in de reisbranche, ter ondersteuning van de kinderopvangkosten voor werknemers in de reisbranche. Sinds covid-19 zijn werknemers verzekerd tegen het verlies van het derde WW-jaar via Stichting PAWW.
Dat maakt wel duidelijk dat werkgevers en werknemers al meer dan drie decennia intensief samenwerken binnen de sector op het gebied van arbeidsvoorwaarden. Lang zaten er aan de kant van de werknemers drie bonden, maar met het vertrek van De Unie zitten tegenwoordig alleen nog FNV en CNV aan tafel.
De onderhandelingen over de cao reisbranche liepen overigens lang niet altijd even soepel. Zeker in de jaren rond de kredietcrisis, begin jaren ’00, was het ingewikkeld om te komen tot passende afspraken. Tijdens de eerste jaren van de covid-pandemie konden werkgevers en werknemers niet anders dan de cao steeds met zes maanden doorrollen, in de hoop dat het snel beter zou gaan in de sector. Ook de uitkomsten van de onderhandelingen die wel slaagden, leverden lang niet altijd blije gezichten aan beide kanten van de tafel op. Een aantal keren hebben de bonden de uitkomsten van de onderhandelingen negatief voorgelegd aan de achterban. Maar altijd kwamen werkgevers en werknemers er uiteindelijk wel weer uit. Dat had vooral te maken met het feit dat op momenten dat het wel kon, werkgevers en werknemers werk maakten van het moderniseren van de collectieve arbeidsovereenkomst.
Zo schaften we in de sector de jeugdlonen al af voordat daar op landelijk en politiek niveau sprake van was, en we moderniseerden als inclusieve sector de cao voor regenbooggezinnen. Recent pakten we het loongebouw in de sector aan, én voegden we het recht op een reiskostenvergoeding en thuiswerkvergoeding toe. Met de nominale verhoging in de laatste cao kregen met name de werknemers met startsalarissen een enorme verhoging van hun loon, oplopend tot ver boven de 10 procent.
Daarom verbaast het mij enorm dat in deze tijden van geopolitieke onzekerheid, waar de reissector als geen ander door geraakt wordt, de leden van de vakbonden een meer dan genereuze loonsverhoging van 2,75 procent hebben afgewezen. Gezien de wijze waarop de bonden het voorstel voorlegden aan hun leden – met een wel heel negatief advies – is dat misschien aan de ene kant nog wel te begrijpen, maar het betekent ook dat er helemaal geen cao-verhoging volgt voor de medewerkers in de sector op 1 juli aanstaande. En dat is natuurlijk niet alleen vervelend voor de werknemers in de sector die lid zijn van de vakbond, maar voor iedereen.
Laten we hopen dat de sociale partners elkaar snel alsnog vinden aan de onderhandelingstafel. Werkgevers laten het loonbod daarom voorlopig nog gewoon even op tafel liggen. Het zou teleurstellend zijn als in tijden als deze de vakbonden actie zouden gaan voeren in de sector. Daar wordt helemaal niemand beter van.
Frank Radstake
Directeur ANVR
frank@anvr.nl
Frank Radstake schrijft als directeur van de ANVR maandelijks een column voor TravMagazine waarin hij zijn licht laat schijnen over de (internationale) reiswereld. (Foto TravMagazine/Nils van Houts).
Helemaal eens met de opmerking van Hans. Ik vind het opvallend dat er formuleringen worden gebruikt als “Daarom verbaast het mij enorm dat…” en “meer dan genereus”. Juist dat soort bewoordingen maken deze column voor mij minder een uitnodiging tot dialoog en meer een poging om de afwijzing van het bod als onbegrijpelijk neer te zetten.
Dat werknemers tijdens covid begrip hebben gehad voor de situatie van de sector, betekent niet dat de achterstand die in die periode is ontstaan nu vergeten is. Veel medewerkers hebben de afgelopen jaren gezien dat hun loonontwikkeling achterbleef bij de inflatie en dat hun koopkracht daardoor is afgenomen. Tegen die achtergrond voelt een loonstijging van 2,75% voor veel mensen niet als “meer dan genereus”, maar eerder als onvoldoende herstel van die achterstand.
Ik denk daarom dat de afwijzing van het bod minder zegt over de invloed van vakbonden en meer over hoe medewerkers hun eigen financiële situatie ervaren.
Daarom vraag ik mij eerlijk gezegd af wat het doel van deze column is. Is het bedoeld om begrip tussen werkgevers en werknemers te vergroten, of om medewerkers ervan te overtuigen dat hun verwachtingen onrealistisch zijn? Dat laatste gevoel houd ik er nu vooral aan over, en dat vind ik jammer. Een constructieve cao-discussie begint wat mij betreft bij erkenning van de zorgen en ervaringen aan beide kanten
Bij een inflatie van juli 2025 t/m april 2026 van ongeveer 2,98%. is het aanbod niet “meer dan genereus” te noemen. Inflatie is nu eenmaal een kettingbotsing van prijsverhogingen, maar er onder gaan zitten vind ik niet echt een genereus aanbod. Moeten de medewerkers opdraaien voor de geopolitieke spanningen? Dat is een ondernemingsrisico. De bonden zien dat overduidelijk ook zo.